In oktober volgde ik een cursus aan het Instituto Cervantes in Alcalá de Henares. We doken een week lang in leven en werk van Cervantes, die geboren werd in dit stadje. Vast niet toevallig vond de cursus plaats tijdens de jaarlijkse Semana Cervantina, waar veel binnenlandse en weinig buitenlandse toeristen op afkomen. We werden dus én tijdens de les én daarbuiten ondergedompeld in de Spaanse taal en cultuur. Perfect!
Cervantes is een superinteressant studie-onderwerp. Alleen al aan zijn levensloop zou je een week cursus kunnen wijden. In onze cursus ging het vooral over zijn meesterwerk Don Quijote, waar ik nog een apart blogje aan zal wijden. Bij de gesprekken over Don Quijote bleek onze groep vooral gefascineerd door de kwestie: wie was Avellaneda?
Even wat achtergrond: Don Quijote (volledige titel ‘El ingenuoso hidalgo Don Quijote de la Mancha’) bestaat uit twee delen. Het eerste kwam uit in 1605 en werd een groot succes. In 1614 bracht ene Alonso Fernández de Avellaneda (pseudoniem) een vervolg uit, waarop Cervantes in 1615 met zijn eigen ‘enige echte’ vervolg kwam en zich daarin afzet tegen de versie van Avellaneda.
Dat gaat heel grappig. Een voorbeeld: in het officiële deel 2 laat Cervantes zijn hoofdpersonen -ze zijn op dat moment onderweg naar Zaragoza- in een herberg iemand tegenkomen die het valse tweede deel heeft gelezen, en meldt dat hij daarin heeft gelezen over hun reis naar Zaragoza. Prompt besluiten ze koers te verleggen en naar Barcelona te gaan.
Wie ging er schuil achter het pseudoniem Avellaneda? Er zijn veel theorieën, o.a. deze:
- (de kring rond) Cervantes’ concurrent Lope de Vega. Er was een langlopende rivaliteit tussen de twee, in meerdere werken lopen ze elkaar te dissen, tot amusement van de lezer.
- Gerónimo de Pasamonte, die én de achtergrond (Avellaneda geeft in zijn boek blijk van bepaalde kennis die vrijwel alleen de Pasamonte ook kan hebben) én een motief had. Hier wordt e.e.a. op een rijtje gezet.
- een medecursist die het boek van Avellaneda aan het lezen was kwam met het idee -en hij blijkt niet de eerste– dat Cervantes zélf schuilgaat achter het pseudoniem.
Voor ons, een week lang getuigen van hoe briljant Cervantes speelt met werkelijkheid en illusie, klonk optie 3 best aannemelijk. Er zit ook zoveel subtiele zelfspot in zijn werk dat je je prima kunt voorstellen dat hij vermomd als Avellaneda nog eens wat speldenprikken richting zichzelf uitdeelt. Het is natuurlijk ook gewoon een leuke theorie om te geloven, te mooi om waar te zijn waarschijnlijk.
Er zijn nog meer verdachten in deze zaak, namen die mij verder niets zeggen.
Maar kan de computer ons tegenwoordig niet helpen? Ene Nanette Rißler-Pipka heeft een digitale methode genaamd stylometrie losgelaten op de teksten, zonder met een conclusie over de auteur te komen. Ze laat vooral zien dat de uitkomsten enorm afhangen van welk groepje teksten je erin stopt.
Dat was in 2016. De digitale middelen zullen sindsdien zijn verbeterd. Maar ze moeten het nog steeds doen met dezelfde input. Misschien zijn er van de persoon die schuilgaat achter het pseudoniem wel helemaal geen andere teksten overgeleverd? Dan wordt het lastig.
Toch ben ik benieuwd of er sinds Rißler-Pipka nog analyses zijn gedaan en met welk resultaat. Je zou denken dat een AI tegenwoordig stijl en vocabulaire kan analyseren en dan uitspugen: “97% waarschijnlijkheid dat het X is, 85% dat het Y is, 64% voor theorie Z”.
Je hebt dan nog steeds geen 100% zekerheid, en dat is misschien ook wel zo leuk. Maar ik ben er wel nieuwsgierig naar en hoor het heel graag als iemand er meer van weet.