Don Quijote

Ik heb dit jaar Don Quijote gelezen, beide delen, van kaft tot kaft, in de vertaling van Barber van de Pol. Een hele klus, want Cervantes is bepaald niet 1100 pagina’s lang aan het pieken. Ik heb me door een hoop langdradigheid en meer-van-hetzelfde heen moeten slaan. Het vele platte vermaak is ook echt niet leuk. Ik heb er dus lang over gedaan, liet het vaak even liggen om tussendoor wat anders te lezen. Later las ik dat meer mensen het zo doen, na elk hoofdstuk een pauze, dat gaat prima, de structuur van het boek leent zich ervoor.

Het boek lijkt oppervlakkig gezien te gaan over een man die zich het hoofd op hol heeft laten brengen door het lezen van teveel ridderromans, en verkleed als ridder met zijn schildknaap Sancho op pad gaat om te vechten voor het goede (en ter verdediging van knappe dames).

Intussen gaat het boek over ons, over mij, en jou, in verhouding tot de wereld om ons heen. “We zijn ook potdomme geen spat veranderd in vierhonderd jaar tijd”, schreef een andere lezer in een recensie. En dit is natuurlijk waarom het boek nog steeds zo wordt gewaardeerd. Een scherpe geest schetste in 1605 hoe mensen zich tot elkaar verhouden en anno 2025 zien we er onszelf nog net zo hard in terug. Je wordt er vooral erg melancholisch van. En gaat Cervantes erg waarderen, wat een slimme kerel moet dat zijn geweest.

In de cursus die ik dit najaar volgde over leven en werk van Cervantes constateerden we dat ieder zichzelf projecteert op Don Quijote. Eén van mijn groepsgenoten, een jolige pensionado die we er wel voor aan zagen er lol in te hebben zijn omgeving om de tuin te leiden, meende dat de hoofdpersoon slechts speelt dat hij gek is. Voor mij en een ander cursusmaatje gaat het boek juist over zelfbedrog-tegen-beter-weten-in.

Ik heb bij het lezen genoten van het spel met realiteit en illusie, de ontwikkeling van de twee hoofdpersonen, de schildering van het menselijk tekort, en de manier waarop Cervantes in het tweede deel afrekent met Avellaneda. Intussen had ik steeds het gevoel veel te missen. Het kan niet anders of een heleboel verwijzingen, grapjes, speldenprikken zijn aan mij voorbij gegaan. Dus ik dacht steeds: “ik zou er eigenlijk een commentaar naast moeten hebben”. En dat had ik niet.

Dus 1100 bladzijdes later ben ik er eigenlijk nog niet klaar mee. Volgens mij zou je de rest van je leven bezig kunnen zijn met dit boek. Wordt dus misschien vervolgd…

 

 

 

 

 

 

Wie was Avellaneda?

In oktober volgde ik een cursus aan het Instituto Cervantes in Alcalá de Henares. We doken een week lang in leven en werk van Cervantes, die geboren werd in dit stadje. Vast niet toevallig vond de cursus plaats tijdens de jaarlijkse Semana Cervantina, waar veel binnenlandse en weinig buitenlandse toeristen op afkomen. We werden dus én tijdens de les én daarbuiten ondergedompeld in de Spaanse taal en cultuur. Perfect!

Cervantes is een superinteressant studie-onderwerp. Alleen al aan zijn levensloop zou je een week cursus kunnen wijden. In onze cursus ging het vooral over zijn meesterwerk Don Quijote, waar ik nog een apart blogje aan zal wijden (update: hier is ie). Bij de gesprekken over Don Quijote bleek onze groep vooral gefascineerd door de kwestie: wie was Avellaneda?

Even wat achtergrond: Don Quijote (volledige titel ‘El ingenuoso hidalgo Don Quijote de la Mancha’) bestaat uit twee delen. Het eerste kwam uit in 1605 en werd een groot succes. In 1614 bracht ene Alonso Fernández de Avellaneda (pseudoniem) een vervolg uit, waarop Cervantes in 1615 met zijn eigen ‘enige echte’ vervolg kwam en zich daarin afzet tegen de versie van Avellaneda.

Dat gaat heel grappig. Een voorbeeld: in het officiële deel 2 laat Cervantes zijn hoofdpersonen -ze zijn op dat moment onderweg naar Zaragoza- in een herberg iemand tegenkomen die het valse tweede deel heeft gelezen, en meldt dat hij daarin heeft gelezen over hun reis naar Zaragoza. Prompt besluiten ze koers te verleggen en naar Barcelona te gaan.

Wie ging er schuil achter het pseudoniem Avellaneda? Er zijn veel theorieën, o.a. deze:

  • (de kring rond) Cervantes’ concurrent Lope de Vega. Er was een langlopende rivaliteit tussen de twee, in meerdere werken lopen ze elkaar te dissen, tot amusement van de lezer.
  • Gerónimo de Pasamonte, die én de achtergrond (Avellaneda geeft in zijn boek blijk van bepaalde kennis die vrijwel alleen de Pasamonte ook kan hebben) én een motief had. Hier wordt e.e.a. op een rijtje gezet.
  • een medecursist die het boek van Avellaneda aan het lezen was kwam met het idee -en hij blijkt niet de eerste– dat Cervantes zélf schuilgaat achter het pseudoniem.

Voor ons, een week lang getuigen van hoe briljant Cervantes speelt met werkelijkheid en illusie, klonk optie 3 best aannemelijk. Er zit ook zoveel subtiele zelfspot in zijn werk dat je je prima kunt voorstellen dat hij vermomd als Avellaneda nog eens wat speldenprikken richting zichzelf uitdeelt. Het is natuurlijk ook gewoon een leuke theorie om te geloven, te mooi om waar te zijn waarschijnlijk.

Er zijn nog meer verdachten in deze zaak, namen die mij verder niets zeggen.

Maar kan de computer ons tegenwoordig niet helpen? Ene Nanette Rißler-Pipka heeft een digitale methode genaamd stylometrie losgelaten op de teksten, zonder met een conclusie over de auteur te komen. Ze laat vooral zien dat de uitkomsten enorm afhangen van welk groepje teksten je erin stopt.

Dat was in 2016. De digitale middelen zullen sindsdien zijn verbeterd. Maar ze moeten het nog steeds doen met dezelfde input. Misschien zijn er van de persoon die schuilgaat achter het pseudoniem wel helemaal geen andere teksten overgeleverd? Dan wordt het lastig.

Toch ben ik benieuwd of er sinds Rißler-Pipka nog analyses zijn gedaan en met welk resultaat. Je zou denken dat een AI tegenwoordig stijl en vocabulaire kan analyseren en dan uitspugen: “97% waarschijnlijkheid dat het X is, 85% dat het Y is, 64% voor theorie Z”.

Je hebt dan nog steeds geen 100% zekerheid, en dat is misschien ook wel zo leuk. Maar ik ben er wel nieuwsgierig naar en hoor het heel graag als iemand er meer van weet.

Intemperie

Om het Spaans een beetje bij te houden helpt het om podcasts te luisteren en boeken te lezen in het Spaans. Dat kost tijd, dus toen ik nog in een leesgroep zat las ik om redenen van efficiëntie de door de groep gekozen boeken in hun Spaanse vertaling. Ook als ze niks met Spanje te maken hadden. Zodoende las ik ‘Klara y el Sol‘ (mooi!) en ‘El efecto del aleteo de una mariposa en Japón‘, waar ik wat minder enthousiast over was en om die reden heb ik er destijds geen blog aan gewijd.

(Toch nog even dan: het verhaal is goed bedacht en ontroerend. Ik ben er ook door geïnteresseerd geraakt in Japan. Maar de schrijfstijl stoorde me, het leek wel een jeugdboek (en niet alleen in de gedeelten waar een pubermeisje aan het woord is). Niets blijft impliciet. Het lezen voelde zoals wanneer iemand de hele tijd een grap gaat lopen uitleggen.)

Ook ge(poogd te)lezen in het Spaans: Fox (Zorro) van Dubravka Ugresic en dat was enorm te hoog gegrepen, afgezien van het derde deel, waarin ze een (prachtig! huilen!) verhaal vertelt. De rest lukte mijn leesgroepgenoten ook in het Engels niet, dat zegt genoeg. Ik ben op de schaarse momenten dat ik wel begreep wat ze schreef wel onder de indruk geraakt van deze enorm scherpe en bij vlagen grappige vrouw.

Inmiddels las ik ook een boek dat oorspronkelijk in het Spaans is geschreven: Intemperie, door Jésus Carrasco. Dat was, ofschoon kort, niet per se het gemakkelijkste om mee te beginnen. Het bevat veel woorden die zelfs Spanjaarden niet kennen, las ik in reviews. Ik heb geen moeite gedaan ze op te zoeken, dat haalt de vaart en de lol uit het lezen. Het verhaal was toch wel te volgen, want Carrasco is nogal van de beschrijvingen en als je daar in een rits bijvoeglijke naamwoorden er een paar niet kent kom je er toch nog wel.

Het woord ‘intemperie’ heb ik wel opgezocht, want ook dat is niet bepaald gangbaar. Het betekent zoiets als ‘open lucht’ en ‘meedogenloos weer’, kortom zoiets als: (overgeleverd aan) ‘de elementen’. En dan vooral die van de hitte en droogte, want het verhaal speelt zich af in een desolaat woestijngebied. Een kind, op de vlucht vanuit zijn dorp, treft een zwijgzame oude geitenhoeder treft en voegt zich bij hem. Meer zal ik over de inhoud niet zeggen, lees het zelf maar, want het boek is zeker de moeite waard. Het is een grimmig, duister verhaal. Vrolijk word je er niet van. Goed is het wel.

Het boek is vooral zo goed omdat het zo geweldig het landschap en de omstandigheden schetst. Je proeft tijdens het lezen het stof in je mond. Als je goed in het verhaal zit, tenminste. Ik lees recensies van mensen die zich hebben gestoord aan zinnen die inhoudelijk niet kloppen en aan het feit dat de karakters niet worden uitgewerkt. Zelf vond ik het in dit verhaal juist wel passend dat we niets over de geitenhoeder te weten komen.

En wat die zinnen betreft: precies hetzelfde had ik laatst bij ‘Oroppa’, waar mensen ook over melden dat het slecht is geredigeerd en taalfouten bevat. Het heeft me ook daar geen moment gestoord. Net als ‘Oroppa’ is ‘Intemperie’ een boek om je aan over te geven. Niet gaan zitten haarkloven, niet bij een zin stilstaan van ‘wat wordt hier nou precies bedoeld?’, maar doorlezen, het verhaal beleven.

‘Intemperie’ is in het Nederlands vertaald onder de titel ‘De vlucht’, en er is inmiddels ook een graphic novel van, genaamd ‘Out in the Open‘. En een film, waarin (jammer maar begrijpelijk) zo te lezen veel dingen worden ingevuld die in het boek vaag blijven (bijvoorbeeld plaats en tijd).

 

 

The Sea, The Sea (Iris Murdoch)

Wat een leuk boek is dit! Gedurende het lezen weet je de hele tijd niet wat je ervan moet vinden, maar intussen ben je ongemerkt wel aan het genieten. Het is héél raar en zéér vermakelijk. Het is een soort klucht, met personages die op het toneel komen en weer gaan, op onverwachte momenten. Die vorm is gekozen omdat de hoofdpersoon een gepensioneerd theaterregisseur is en in het boek probeert hij zijn eigen leven en de mensen om hem heen te regisseren, zonder veel succes.

Er komt een bonte stoet figuranten voorbij, maar het verhaal draait verder volledig om Charles Arrowby, de hoofdpersoon. Hij is van het bruisende Londen verhuisd naar een afgelegen oud huis bij een klein dorpje aan zee, en denkt daar zijn jeugdliefde Mary/Hartley na al die jaren weer gespot te hebben. Er volgen allerlei bizarre ontwikkelingen, waarbij je met vervreemding zit te lezen, maar het boek niet weg wilt leggen.

Tussen al die gekke dynamiek heeft het verhaal rustmomenten, als Murdoch in prachtige zinnen het kustlandschap beschrijft, of uitgebreid stilstaat bij de lunch van de in gastronomie erg geïnteresseerde Arrowby.

Anders dan bij veel andere romans voel je je niet dicht betrokken bij het verhaal, identificeert je niet met een personage, je leeft niet mee. Je bekijkt het als toeschouwer van een afstandje, en je blijft maar kijken, het verveelt geen moment. Het laat je ook het leven in z’n algemeenheid van een afstandje beschouwen en relativeren: we klooien allemaal maar wat aan en het is ook gewoon vaak volslagen absurd. Het boek eindigt met Arrowby die noteert: “Upon the demon-ridden pilgrimage of human life, what next I wonder?” en dat is precies de juiste slotzin. Heerlijk boek! 

Die Welt von Gestern

‘De Wereld van Gisteren’, ondertitel ‘herinneringen van een Europeaan’, is Stefan Zweigs getuigenis over de tijd waarin hij opgroeide, van voor de twee wereldoorlogen tot halverwege WOII, een boek vol weemoed over wat verloren is gegaan.

Hij beschrijft zijn bevoorrechte jeugd in een rijk joods gezin in Wenen, zijn studietijd in Berlijn en zijn schrijverscarrière. Maar vooral beschrijft hij de wereld om hem heen, de ontwikkelingen die leidden tot de twee wereldoorlogen, in scherpe observaties. Hoe hij gewone mensen in de greep van nationalisme zag komen. Hoe er knokploegen kwamen, die, zo merkt Zweig op, overal in precies dezelfde fonkelnieuwe pakken rondliepen, het kon niet anders of bepaalde machten stuurden dit aan en financierden het.

Hoe de Oostenrijkse munt op een gegeven moment zo weinig waard is, dat Duitsers met hun dan nog sterke munt het land komen leegkopen, tot het hen wordt verboden nog goederen mee de grens over te nemen: en dus komen ze massaal met de trein zichzelf klemzuipen, want wat je in je maag hebt kan de douane niet confisqueren. Een paar jaar later is de Duitse munt ingestort en rijden er juist van daaruit treinen met lallende Oostenrijkers terug hun land in.

En hij verhaalt over zijn contacten, soms hechte vriendschappen, met kunstenaars en wetenschappers: Romain Rolland, Rilke, Freud, Rodin. Erg interessant om deze beroemdheden van zo dichtbij beschreven te zien worden.

Rode draad is het verval van Europa, voor Zweig gesymboliseerd door de beperking van de persoonlijke bewegingsvrijheid: tot 1914 reisde hij zonder paspoort de wereld over, nu, klaagt hij: “is je eerste bezoek in een vreemd land niet meer, zoals vroeger, aan musea of landschappen, maar aan een consultaat of een politiebureau.” Zweig beschouwt zichzelf hartstochtelijk als Europeaan, en hij ziet zijn geliefde Europa ten onder gaan.

In de loop van WO II kan Zweig niet meer veilig Oostenrijk in, waardoor hij zijn stervende moeder niet in haar laatste dagen kan bijstaan. Zijn boeken zijn dan al verboden.

U begrijpt, dit is geen vrolijk boek, wél erg interessant, en mooi geschreven. Ofschoon ik het erg goed vond kwam ik er maar moeizaam doorheen. Zweig maakt mooie, maar ingewikkelde zinnen en ik kan wel Duits lezen, maar ook weer niet bepaald op topniveau. Ook is hij naar de maatstaven van nu nogal breedsprakig (ik moest glimlachen bij de passage waarin hij zijn literaire succes toeschrijft aan het feit dat hij “nooit een woord teveel schrijft”.) Dus het kostte moeite, maar ik heb er met liefde doorheen geploegd.

P.S: Ik kwam deze mooie recensie tegen, die geeft een goed beeld.

Changer: méthode

Édouard Louis kennen we van zijn scherpe woorden in allerlei interviews, maar ik had nog nooit wat van hem gelezen. Vorig jaar zag ik in de Arnhemse schouwburg ‘Wie heeft mijn vader vermoord?’, een heftige aanklacht die nog nieuwsgieriger maakte naar zijn werk.

Tot nu toe zijn al zijn boeken autobiografisch en hebben als hoofdthema het opgroeien in de lagere klasse in een klein dorp in Noord-Frankrijk. In ‘Changer: méthode’ vertelt de auteur hoe hij zich hieraan heeft ontworsteld, door eerst in de ‘grote’ stad Amiens naar de middelbare school te gaan, vervolgens toegelaten te worden tot de École Normale Supérieure in Parijs en uiteindelijk een gevierd schrijver te worden. Hoe boek beschrijft hoe planmatig en gedreven, geobsedeerd zelfs, hij te werk ging: dit project -van levensbelang- moest slagen. We zien hem voor de spiegel oefenen op een minder volkse lach, als een bezetene zijn leesachterstand inhalen, vriendschappen aangaan met mensen die hem verder kunnen helpen.

Naast een registratie van dit proces is het vooral ook een reflectie, op zichzelf en zijn drijfveren (“heb ik hem gebruikt?”), en op de klassenmaatschappij. Vaak pijnlijk en steeds indrukwekkend. Een voorbeeld:

Het boek is ook een verslag van een ontwikkeling. De hoofdpersoon wil in het begin niets van zijn oude milieu weten en idealiseert de hogere klasse. Langzaamaan komt er meer begrip voor zijn vroegere omgeving en komen er barsten in het ideaalbeeld:

Het is een boeiend boek. Er zit heel veel in. Bij tijd en wijle zou je die jongen – en z’n ouders- in je armen willen nemen. Op andere momenten is het meer een verslag en lees je het met wat afstand.

Tussen de fictie die ik meestal lees was dit boek een vreemde eend. Heel andere stijl. Maar echt de moeite waard.

Klara and the sun

De recensies van ‘Klara and the Sun’, van Nobelprijswinnaar Kazuo Ishiguro, zijn lovend (The Guardian , NPR). Ik vond het geen absolute klassieker die ik zou gaan herlezen, maar het is wél een knap en heel bijzonder boek.

De ik-persoon in ‘Klara and the Sun’ is een robot die, na een verblijf in een winkel waar ze steeds meer leert over de wereld en over mensen, wordt gekocht als maatje voor een puber en daar in huis gaat wonen, waar ze nog meer leert over de wereld en over mensen. Dat je het hele boek als het ware door haar ogen kijkt geeft een heel bijzonder effect. Het blikveld van Klara bestaat bijvoorbeeld uit blokken/pixels waar zij dan chocola van moet zien te maken. De beschrijvingen van gebouwen en landschappen zijn daardoor apart, heel ‘registrerend’.

En ook de mensen om Klara heen worden soort van ‘gescand’, we zien maar een beperkt deel van de personages, de buitenste schil als het ware. De karakters hebben gevoelens en geven om elkaar, maar we raken als lezer slechts aan de oppervlakte, komen niet te weten wat er echt in ze omgaat. Ze hebben -door Klara’s ogen bezien- geen agenda’s, niemand manipuleert. Heel af en toe merkt Klara op dat iemand zich in bepaalde situaties anders gedraagt dan ze tot nu toe als ‘het normale gedrag’ van die persoon had opgeslagen. Verder dan dat komt Klara niet, dit is tot hoever ze menselijk gedrag kan doorgronden.

Dit maakt dat ze een heel pure, naïeve indruk maakt en omdat we de overige karakters in het boek niet echt leren kennen, ga je als lezer het meest met haar meeleven en, hoe bijzonder, juist Klara als het meest menselijk en meest sympathiek zien van het hele stel in een verder behoorlijk dystopische en deprimerende wereld.

Er zit heel veel in dit boek. Het is een verhaal over hoop-tegen-beter-weten-in, over onschuld, over rouw en loslaten, opoffering, liefde, eenzaamheid, herinneringen. De meeste indruk maakt het einde, waarin Klara herinneringen ophaalt, mijmerend als een mens aan het eind van zijn leven, eenzaam en vol nostalgie als een mens aan het eind van zijn leven. Het is prachtig. Ik leefde zo met haar mee! Met een robot, dus. Dat vind ik briljant gedaan. Ik ben nu erg benieuwd naar ‘The Remains of the Day’, volgens velen Ishiguro’s beste boek.

 

 

De Toverlantaarn

Dit boek is niet voor iedereen, denk ik. Ikzelf heb me er goed mee vermaakt. De Toverlantaarn is een bundel verhalen, geïnspireerd door de Camera Obscura van Hildebrand (Nicolaas Beets). Suzanne Voets schreef de bundel als profielwerkstuk en won er de prijs voor het beste werkstuk van 2020 mee. Het is een boek vol alledaagse taferelen en observaties, geschreven in een Nederlands met negentiende-eeuwse elementen. Ze portretteert gewone mensen die van alle tijden zijn. Dit wordt benadrukt door zowel de settings als de taal die ze kiest: het is telkens een mix van toen en nu.

Het is heel knap gedaan en leest prettig, ook door de ironische toon. De schrijfster bekijkt licht geamuseerd de wereld om haar heen en de situaties waar zijzelf, en anderen, in belanden. Dat zijn nooit hoogdravende zaken, het zijn ditjes en datjes, prachtig gestileerd, maar ditjes en datjes. In ‘Sportschoolpraat’ -ongeveer halverwege het boek- bekroop mij wat ergernis dat het wéér nergens over ging. En prompt waren daar de heerlijke slotzinnen van het verhaal, waarin de schrijfster zelf constateert -maar dan kunstiger verwoord- dat het weer nergens over ging, en besluit: “maar enfin, er wordt toch al wel genoeg in zinnige termen over zinnige zaken gesproken, her en der, en men moet ’t leven ook maar zo eenvoudig mogelijk nemen.”

Het boek is niet voor iedereen, omdat het een stilistisch hoogstandje is, echt een kunststukje, dat mij meer dan eens deed denken aan Het Groot Dictee Der Nederlandse Taal (dat Voets overigens laatst won!) en af en toe werd mij dat wat veel van het goede. Als in een beschrijving van een ruimte staat: “Er direct naast existeert een eikenhouten servieskast”, dan ben je mij wel even kwijt. Toch las ik met plezier verder en voor mij zat hem dat vooral in de humor van de treffende beschrijvingen van taferelen die ieder herkent. Bij het uitpakken van de kerstkado’s:

“‘Mijnheer R. Harbrinck’, las hij voor. ‘O, die is voor jou, Ronald!’, sprak mijnheer Haardhout, ondanks het feit dat elkeen dit alreeds begrepen had.”

Behalve met plezier, heb ik het boek ook met bewondering gelezen. De schrijfster geeft niet alleen blijk van veel talent, maar ook van veel kennis en levenswijsheid. Doe dat maar eens na op je twintigste. Petje af.

 

 

 

Half of a Yellow Sun

Nieuwsgierig naar de boeken van Chimamanda Ngozi Adichie keek ik op Goodreads welke de hoogste waardering had, want hey, het leven is kort en dan kun je maar beter met de topper beginnen. Tot mijn verrassing scoorden er minstens vijf boven de vier sterren, dus moest ik er toch maar lukraak eentje uitkiezen. Het werd Half of a Yellow Sun.

Dit boek, in 2013 verfilmd, beschrijft de levens van twee rijke zussen, hun geliefden en een inwonende dienstbode ten tijde van de Biafra-oorlog eind jaren zestig. Het schetst een beeld van de samenleving in die tijd, met de enorme klassenverschillen, de etnische spanningen en de verhouding met Groot-Brittannië, waar Nigeria in 1960 onafhankelijk van werd.

Wat Adichie wat mij betreft briljant doet is je in het leven van de personages zuigen. Zelden heeft een boek me zo in z’n greep gehad. Ook overdag, als ik pas ’s avonds verder ging lezen, waren de hoofdpersonen in mijn gedachten. En zelfs nu ik het boek uit heb blijven ze nog wel even. Dat is bijzonder knap gedaan, ik heb dat normaal nooit, ook niet bij bijv. ’t Hooge Nest, waar ik toch erg van onder de indruk was.

Eén van de recensies op Goodreads spreekt van ‘een soap opera’, en die woorden zijn ook in mij opgekomen tijdens het lezen. Ik vond dat niet storend en denk dat het zelfs mede de kracht is van het boek. Met al hun tekortkomingen zijn de hoofdpersonen diep menselijk, en dit maakt voor de lezer invoelbaar wat de gruwelijkheden van een oorlog met mensen doen.

 

’t Hooge Nest: do believe the hype

Wat een boek!

Je kon er niet omheen natuurlijk, het lag vooraan in alle winkels, hoge stapels bij de kassa, Roxane van Iperen regelmatig op tv, het boek won de Opzij Literatuurprijs, iedereen lyrisch…zou die hype niet wat overdreven zijn?

Nee dus.

Ik wist dat Van Iperen veel research had gedaan en dat het om een interessant verhaal ging. Maar dan moet je ook maar net het talent hebben om e.e.a. boeiend op te schrijven. Nou, dat is gelukt. Zelden zo’n meeslepend boek gelezen. Zelden zo ‘in’ het verhaal gezeten.

Van Iperen weet de eerste, relatief vrolijke, helft van het boek zo levendig te beschrijven dat je het gevoel hebt dat je er zelf rondloopt, in het huis verblijft, deel uitmaakt van de groep. De personages worden je dierbaar.

Dat blijkt de perfecte opmaat voor de verschrikkelijke tweede helft. Iedereen weet van de gruwelijkheden van WO II, maar hoeveel harder komen ze ineens aan als het niet over anonieme mensen uit het verleden gaat, maar over dat dappere, creatieve, gemêleerde gezelschap dat je in de eerste hoofdstukken van dichtbij hebt leren kennen. De omslag komt als een stomp in je maag en de hoofdstukken daarna wil je eigenlijk niet lezen.

Dit maakt het niet alleen een ontzettend knap geschreven, maar ook een uiterst belangrijk boek. Veel projecten proberen mensen, bijvoorbeeld scholieren, te doordringen van de verschrikkingen van WO II. Door zijn opzet kan dit boek daar een grote bijdrage aan leveren. En nog meer in de vorm van een verfilming, die er ongetwijfeld gaat komen.